‘Advent’

Vier zondagen voor Kerst begint in de kerk het nieuwe jaar. En dat jaar begint met een periode van inkeer, een periode van bezinning. We noemen die tijd Advent en die naam komt van het Latijnse woord ‘advenire’ wat zoveel betekent als komen, er aan komen of aankomen. Als u, net als ik, geïnteresseerd bent in taal, dan herkent u in dat woord ook het Franse woord voor komen ‘venir’. Logisch natuurlijk want het Frans is een taal die van het Latijn afstamt.

Advent dus.
Vier weken lang bereiden we ons voor op het kerstfeest. Vanuit het duister gaan we op weg naar het licht. We ontsteken elke zondag een kaarsje meer en we lezen de verhalen van de toekomst. Verhalen over Johannes de doper, over Zacharia, die met stomheid is geslagen over de zwangerschap van zijn Elisabeth. We lezen de profetieën van Jesaja en Micha, die al in hun tijd droomden van een grootse toekomst. Prachtige verhalen, die zinderen van verwachting.

Intussen zien we om ons heen de kerstbomen komen, we zien de lampjes in die bomen, zowel binnen als buiten. Het is een tijd vol verwachting.

Maar dit jaar is alles anders dan anders. We ontlopen elkaar in plaats van dat we elkaar opzoeken, we maken ons op voor een kerstfeest anders dan anders. Geen volle kerstnachtdienst dit jaar, geen grootse kerstdiners en wellicht kunt u zelf nog wel veel meer opnoemen dat dit jaar niet kan.

En toch gaan we vanaf nu op weg naar het kerstfeest. We bereiden ons voor, want ondanks alles is het Advent. Hij komt! Graag nemen we u dit jaar virtueel mee op onze gang door deze verwachtingsvolle periode, met muziek vanuit onze kerken en met elke dag een korte meditatie van een van ons. Volg ons via onze websites, we gaan graag samen met u op weg naar het Kerstfeest.

 Marianne Visch – de Bruin

‘Anderhalve meter’

(Column: Kronkel 17 mei 2020)

Heeft u dat ook? Dat gevoel dat dit jaar alles anders is dan andere jaren? Vast wel, want het is ook gewoon zo. Boodschappen doen, bezoekjes afleggen of zelfs een eenvoudige fietstocht, overal moeten we bij nadenken. Niets kan meer ‘zomaar’. Mijn boodschappen doe ik tegenwoordig naar aanleiding van een briefje, dat ik maak met de route in de supermarkt in mijn gedachten. Als ik iemand wil spreken of opzoeken, dan bel ik op en vraag ik of het ‘schikt’ en als we gaan fietsen, dan maken we een route waarbij we rekening houden met de breedte van de fietspaden en niet met de terrassen of restaurantjes, waar we gewend waren om te pauzeren. En natuurlijk nemen we weer koffie en broodjes mee.

Vaak krijg ik in gesprekken met mensen de vraag: Wat denk je, zou het nog lang duren? Moeten we echt wennen aan een ‘anderhalve meter samenleving’? Natuurlijk weet ik dat ook niet, maar ik ben bang dat het nog wel even gaat duren. En dus oefen ik met Skype en met Facetime, bezoek ik mijn moeder in de ‘babbelbox’ van de Speulbrink en hoop ik, met velen van u, dat we elkaar snel weer mogen gaan zien.

En, heel voorzichtig, daar lijkt het wel op. Heel misschien mogen we weer met iets grotere groepen bij elkaar komen en dat betekent voor ons als geloofsgemeenschappen dat we beginnen na te denken over kerkdiensten of vieringen waarbij weer mensen bij elkaar mogen zijn.
Natuurlijk moeten we dan wel anderhalve meter uit elkaar zitten, maar toch…

Daarna, vanaf 1 juli worden de maatregelen misschien nog verder versoepeld en dus kijken we ook al verder vooruit. Hoe gaat het daarna en hoe gaan we dan die kerkdiensten invullen, want zingen lijkt een besmettingsbron te zijn, dat las ik deze week tenminste in de krant. En heeft u zich wel eens voorgesteld hoe een kerkdienst zonder zang eruit zal zien? Ik nog niet, dat ga ik doen en wellicht kunnen we het daar over hebben in een volgende kronkel?

Marianne Visch – de Bruin

‘Lente’

(Column: Kronkel 17 april 2020)

Vorige week vierden we Pasen. We vierden het feest van de opstanding, van leven dat dood leek, maar dat niet bleek te zijn. Ondanks de grote zorgen waar we allemaal mee te kampen hebben, vierden we feest.

Wij, in ons kerkje aan de Deventerstraat, kwamen op Paasmorgen om 10 uur bij elkaar om samen dat Paasfeest te vieren. Dankzij de in allerijl opgezette internet livesteamverbinding konden we toch bij elkaar zijn. Met vier mensen in de kerk, maar met een veelvoud ervan thuis bij de TV, de laptop of iPad. Ik heb het als een voorrecht ervaren om zo toch als voorganger de verbinding te voelen met ‘mijn‘ mensen thuis.

Paasfeest is het feest van de opstanding, van leven dat zich niet aan banden laat leggen. En dat merken we ook in de natuur. In de weken voorafgaand aan het Paasfeest, zag ik de natuur uitlopen. Eerst de krokussen en sneeuwklokjes, daarna de narcissen maar ook de heesters, die prachtige bloesem kregen. Het was een feest om dagelijks een wandeling te maken en elke keer weer te ontdekken hoe mooi onze omgeving is.

De lente van 2020 is een lente die anders is dan anders. Veel mensen kunnen of willen de deur niet uit omdat de kans op besmetting met het ‘Coronavirus’ te groot is. Wat is het dan een voorrecht om in een dorp als Vaassen te mogen wonen en niet drie hoog achter in één van de grote steden. Ik denk in deze tijd vaak aan de gezinnen met kinderen. Zij hebben het niet gemakkelijk. Maar ook gaan mijn gedachten uit naar de mensen in de verpleeg- en verzorgingshuizen. Naar al die mensen natuurlijk, maar ik denk vooral aan mijn moeder, die ik nu niet mag bezoeken. Ik niet, maar mijn vader ook niet. Ja, dat is nodig, maar best wel heel moeilijk. Ik denk aan alle mensen, die werken in de zorg en zo druk zijn dat ze nauwelijks tijd hebben om van de ontluikende natuur te genieten. Wat fijn dat jullie er zijn en dat jullie dit voor ons willen doen. En dan heb ik het nog helemaal niet gehad over al die ondernemers in de horeca, cultuur en al die andere sectoren, die zonder werk zitten en dus ook zonder inkomen.

En toch is het lente. Toch knoppen de bomen en zijn de jonge berken inmiddels groen. De lente laat zich niet tegenhouden. Laten wij proberen daar van te genieten en er troost uit te putten!  

Marianne Visch – de Bruin

‘Onze Vader’

(Column: Kronkel 19 maart 2020)

De ontwikkelingen rond de verspreiding van het Coronavirus gaan snel en ook in deze column kan ik er eigenlijk niet om heen. We moeten gepaste afstand tot elkaar bewaren en we mogen elkaar geen hand meer geven. Ouderen wordt aangeraden zoveel mogelijk thuis te blijven en de scholen zijn voorlopig gesloten. Het zijn allemaal pogingen om dat vervelende virus, waar zoveel mensen ernstig ziek van worden op een verantwoorde manier in te dammen en onder controle te krijgen. Waarschijnlijk is de situatie op het moment dat u deze column leest, alweer heel anders, maar goed . . .

Overal om mij heen zie ik intussen initiatieven van mensen om elkaar te helpen, om de werkers in de gezondheidszorg een hart onder de riem te steken en om op een creatieve manier toch het contact van mensen onderling in stand te houden. Het is allemaal hartverwarmend.

Ook kerken en geloofsgemeenschappen doen een duit in het zakje. Onze kerkdiensten kunnen niet doorgaan, maar er worden in snel tempo alternatieven ontwikkeld waardoor u elke zondag min of meer ‘gewoon’ een kerkdienst of viering kunt beleven. Gewoon thuis achter uw PC of laptop, dat dan weer wel. Wij als pastores, wij bellen ‘onze’ mensen en we realiseren ons hoe belangrijk het is dat we de telefoon gewoon kunnen gebruiken. Het zijn maar een kleine voorbeelden van initiatieven om met elkaar in contact te blijven.

Tussen alle ludieke adviezen, die ik de afgelopen dagen heb gehoord, was er eentje, die mij als pastor wel heel erg aansprak en dat was de volgende:
Om besmetting met het virus zoveel mogelijk te voorkomen is het belangrijk dat we geregeld onze handen wassen. Niet zomaar wassen, maar echt goed je handen wassen gedurende 20 seconden.
Maar ja, hoe lang is 20 seconden, is er misschien een liedje dat zolang duurt of een of anders versje dat je op kunt zeggen? Het was een vraag op de radio, zo vertelde mijn zusje.
Na enig nadenken en uitproberen bleek het overbekende ‘Onze Vader’ precies 20 seconden te duren. En let wel, je mag het dan snel opzeggen.
Ik vind dat prachtig. Laten wij biddend onze handen wassen want zo brengen we hoofd en hart en handen bij elkaar. Ik wens u allen veel saamhorigheid toe en blijf vooral gezond!

Marianne Visch – de Bruin

75 jaar Vrijheid

(Column: Kronkel 24 januari 2020)

Het zal u niet zijn ontgaan: dit jaar is het 75 jaar geleden dat Nederland werd bevrijd en er een einde kwam aan een verschrikkelijke oorlog. Nee, zelf heb ik die oorlog gelukkig niet meegemaakt, net als de meeste mensen in Nederland die net zo oud, iets ouder of veel jonger zijn dan is.  Maar mijn ouders kunnen er nog over vertellen en het is goed om naar hun verhalen en die van hun leeftijdsgenoten te luisteren. Het kan nu nog… Het hele jaar zal deze oorlog worden herdacht en de bevrijding gevierd.

In ons kerkje zagen we vorige week de film ‘Bankier van het verzet’, een indrukwekkend verhaal over mensen, die het mogelijk maakten dat illegale activiteiten konden worden gefinancierd. Het was een film, die me aan het denken zette, want er is veel over die nare periode, wat we niet weten. Ik niet tenminste.

Ik moest weer aan de oorlog denken, toen ik vanmorgen de dranghekken zag staan bij mij om de hoek. O ja, deze week, om precies te zijn op 21 januari, is de herdenking van de ontruiming van het Apeldoornse Bosch, de Joods psychiatrische inrichting, die wij nu kennen als ‘Groot Schuilenburg’ of ’s Heerenloo. Destijds, op 21 januari 1943 werden alle patiënten en veel van hun verzorgers afgevoerd naar concentratiekampen en vrijwel niemand heeft die kampen overleefd.

Bij mij om de hoek staat in het Wilhelminapark een gedenkteken als herinnering aan deze verschrikkelijke gebeurtenis. Het staat enigszins verscholen en pas sinds 1990, dus nog niet eens zo verschrikkelijk lang, en inmiddels is het monument geadopteerd door twee scholen uit de buurt. De kinderen van deze scholen nemen elk jaar deel aan de herdenking, die op het moment dat ik dit schrijft, wordt gehouden. Daarom staan er die dranghekken daar en ik denk dat het goed is dat elk jaar meer mensen komen herdenken wat er destijds, nu 75 jaar geleden is gebeurd.

Herdenken van wat er in die vijf oorlogsjaren gebeurde is nodig om nu, 75 jaar later, onze vrijheid te vieren. Vrijheid is er nooit zomaar. Het is goed om stil te staan bij onschuldige slachtoffers en mensen, die door hun daden, onze vrijheid mogelijk hebben gemaakt.

Marianne Visch – de Bruin

‘En toch …’

(Column: Kronkel 6 december 2019)

Gemiddeld zo’n drie keer per week reis ik van Apeldoorn naar Vaassen en weer terug. Als het even kan met de fiets, alleen als het regent of heel erg koud is pak ik de auto. Meestal ga ik over het fietspad en zo zag ik de afgelopen jaren de kerstbomen, die daar worden gekweekt, groter en groter worden. Op andere percelen worden jonge boompjes aangeplant. Begin november van dit jaar werden de eerste volgroeide bomen gerooid en inmiddels zijn de meeste bomen op weg naar het hoogtepunt van hun bestaan, hier in de buurt misschien, maar het kan ook best zo zijn dat ze heel ergens anders worden verkocht.

Overal langs de weg zie ik ze staan: de kerstbomen met hun lampjes. Maar ook andere bomen, struiken, vlaggenmasten, balkons worden in het licht gezet. Licht in deze donkere tijd van het jaar. Ik vind het mooi, geniet van de sfeer die zo ontstaat en opeens komt de naam ‘verlichte bomenfeest’ bij me op. Kent u die term nog?

Ooit werd ze geïntroduceerd in de Fabeltjeskrant, dat kinderprogramma uit de jaren ’70 van de vorige eeuw. De dieren in de serie vierden geen Kerstfeest, maar het verlichte bomenfeest. Ze vierden het feest van het terugkerende licht en niet de geboorte van het Kerstkind. Om me heen kijkend als ik in de vallende duisternis terugfiets naar huis, lijkt me dat wij meer en meer ‘verlichte bomenfeest’ aan het vieren zijn.
Natuurlijk is daar niks mis mee, maar kerstfeest is echt meer dan verlichte bomen, gezelligheid en lekker eten. Kerstfeest is voor mij het feest van ‘en toch…’  Daarvoor, voor dat ‘en toch…’ zoeken we elkaar op tijdens de vieringen in de kerken, luisteren we naar het oude verhaal ‘en het geschiede..’ en zingen we de bekende liederen.

Want bij alles wat we ervaren: onrecht, ongelijkheid, onmacht, onvrede misschien, zoeken we met elkaar naar woorden van bemoediging. Woorden om het samen uit te houden in een ‘wereld verloren in onrecht’. We vertellen elkaar dat het na elk donker weer licht wordt en dat onze aarde en haar bewoners het waard zijn om ons voor in te zetten.
Een ‘nieuwe wereld’ zoals Huub Oosterhuis dicht:

            Dat een nieuwe wereld komen zal
            waar brood genoeg –
            en water stroomt voor allen

Ik wens u allen goede dagen en een voorspoedig 2020 toe.

Marianne Visch – de Bruin

Hij komt …

(Column: Kronkel 12 november 2019)

Komende zaterdag is het zover: de goedheiligman arriveert met zijn pieten in mijn woonplaats Apeldoorn om van hier uit alle schoorstenen in de rest van het land te gaan vullen. Het is een bijzondere gebeurtenis, die landelijke intocht van de sint. In de media is er, bij ons in elk geval, een heleboel om te doen. Voor het eerst komt de Sint niet met de boot maar met de trein, de stoomtrein wel te verstaan en velen vragen zich af of dat wel verantwoord is. Immers een stoomtrein stoot nogal veel roet uit. Luchtvervuiling dus en waarschijnlijk zit er ook stikstof in. Ander probleem: de Sint heeft dit jaar alleen maar roetveegpieten bij zich en voor veel mensen, vooral volwassenen, kan dat echt niet. Ik denk trouwens dat het voor de kinderen echt niet uitmaakt of Piet groen, geel, zwart of gestreept is, immers voor hen gaat het om het feest van cadeautjes krijgen. Feest van verrassing, van spanning natuurlijk ook,  maar vooral toch het feest van  ‘gooi wat in mijn schoentje’.

Eerlijk gezegd vind ik die roetveegpieten wel wat hebben. Ze passen wel bij een stoomboot of een stoomtrein. Uit ervaring weet ik inmiddels dat het bijna onmogelijk is om zonder roetvlekken uit de stoomtrein te komen, als die een flinke afstand heeft afgelegd. Tjonge, wat vervuilt zo’n stoomgeval! Het lijkt me dat met al onze stikstofproblemen dit toch een aardige motivatie moet zijn om de goedheiligman voortaan toch maar met paard en wagen te laten aankomen, of zou dat ook niet meer kunnen?!

Marianne Visch – de Bruin

‘Verdwaald’

(Column: Kronkel 14 oktober 2019)

Soms overkomt het je: je komt terecht in een wereld, die je niet goed kent. Een omgeving, die niet de jouwe is. Je hebt bijvoorbeeld een nieuw rijbewijs nodig en het aanvragen daarvan brengt je in een wereld van formulieren, keuringen en wachttijden, die je alleen maar kent uit de krant. Och, denk je dan, dat zal toch zo’n vaart niet lopen?! Toch wel dus.. 0f je moet een vergunning aanvragen en je raakt de weg kwijt in het oerwoud van regels, die daarbij horen.

Zo kwam ik terecht in de wereld van de zorg. Ik schreef het al in mijn vorige column, ik viel van de fiets en belandde in het ziekenhuis. Het is een plek, die ik eigenlijk alleen maar ken vanuit mijn werk of als ik bij zieke familie of vrienden op bezoek ga. Nu was ik dus zelf aan de beurt en toen ik op de S(poed) E(isende) H(ulp) kwam, bleek dat het bijna 20 jaar geleden was, dat ik voor het laatst in een ziekenhuis was behandeld. Mijn gegevens werden erbij gezocht en, och heden, ik bleek tweemaal in het systeem te staan. Ik was dus een persoon met twee patiëntendossiers en dat kan natuurlijk niet, dat snap zelfs ik. Ik werd dus, na de behandeling, naar de receptie gestuurd met het eenvoudige verzoek die beide dossiers tot één te laten samenvoegen. Dat leek een simpele vraag, maar bleek moeilijker dan gedacht, want bij de volgende controle was er niets veranderd. Opnieuw vervoegde ik me bij de receptie en opnieuw liep ik alle gegevens door. Of het nu goed is? Ik weet het niet. Begin november mag ik weer voor controle en dan zal blijken…

Ik kan me nu voorstellen dat mensen zich verdwaald voelen in het oerwoud van regels dat blijkbaar nodig is om onze samenleving op rolletje te laten verlopen. Gelukkig staan alle leden van onze geloofsgemeenschap bij mij gewoon in een eenvoudig, maar wel goed beveiligd computerbestandje. Nu alleen dat wachtwoord onthouden….

Marianne Visch – de Bruin

‘Fietshelm’

(Column: Kronkel 6 september 2019)

Je ziet ze nog nauwelijks, behalve dan bij wielrenners en bij mensen op die hele snelle fietsen: fietshelmen.
‘Speed pedelecs’ noemen we die fietsen, ze halen een snelheid van 40 km per uur. Geen wonder dan op deze fietsen een helm verplicht is. Gewone fietsers hoeven heen helm op, al mag het wel, maar we zien het bijna nooit. Toch overkomt het mij geregeld op mijn fietstochten door onze omgeving, dat ik iemand zie die met zijn of haar fiets is gevallen. Meestal valt de schade mee en blijft het bij wat materiele mankementen of een kapotte knie, en het slachtoffer stapt even later weer blijmoedig en zonder helm op de fiets. Het ding is niet verplicht en, laten we wel wezen, het is ook geen gezicht…

Echter, het verhaal van een ambulanceverpleegkundige dat ik een paar weken geleden hoorde, zette mij aan het denken. Hij vertelde over een ongeval waarbij hij te hulp was geroepen. Het slachtoffer was een fietsster, die bij dat ongeval lelijk op haar hoofd was terecht gekomen. Per traumahelikopter is zij afgevoerd naar het ziekenhuis met zwaar hersenletsel, zo vertelde de jongeman mij. Hoe het met die mevrouw is afgelopen kon hij me niet vertellen, maar wat hij daarna zei trof me. ‘Elke keer’, zo besloot hij zijn verhaal, ‘als ik mijn fiets pak, dan denk ik aan die mevrouw en dan zet ik mijn helm op’. Zijn verhaal raakte mij, maar dat komt ongetwijfeld omdat ik op dat moment in zijn ambulance lag en naar het ziekenhuis werd gebracht, omdat ik met mijn fiets was gevallen. Het bleef voor mij  bij een gebroken elleboog en wat andere kleine kwetsuren, maar ik beloofde de ambulancebroeder vanaf nu zeker mijn fietshelm te zullen dragen, want een ongeluk zit in een klein hoekje en ik viel met mijn hoofd op minder dan een halve meter afstand van een muurtje.

Marianne Visch – de Bruin

‘Klein hoekje’

(Column: Kronkel 5 juli 2019)

Als u, net als ik met enige regelmaat de kranten leest of naar het nieuws kijkt, dat bent u misschien ook wel bezorgd over wat u leest of hoort. Het gaat niet goed met onze aarde. Er moeten ingrijpende maatregelen worden genomen waarvan we de consequenties voor ons persoonlijk leven niet kunnen overzien. Hoe zit dat met die zonnepanelen, warmtepompen, palletkachels, elektrische auto’s  en al die andere investeringen, die blijkbaar nodig zijn om onze aarde te redden? Dat we zuinig moeten zijn op onze aarde, dat staat buiten kijf! Maar moet dat echt allemaal hier in ons kleine landje terwijl elders op veel plekken op de wereld de vervuiling gewoon doorgaat?  

Kijkend naar het nieuws hoor en zie ik ook de berichten over de SeaWatch die nergens de vluchtelingen kwijt kan, die ze oppikt uit de Middellandse zee. Het vluchtelingenprobleem is inmiddels een vertrouwd fenomeen geworden, waarvoor ook niemand een oplossing lijkt te kunnen vinden. Ik verbaas me erover dat de kapitein van het schip een gevangenisstraf van wel tien jaar boven het hoofd hangt, en ook zie ik die hartverscheurende foto van een vader met zijn kind, die op de vlucht aanspoelt aan de kust van de Verenigde Staten. Hoe is het toch mogelijk dat welvaart en welzijn zo oneerlijk zijn verdeeld over onze goede aarde, die zelf ten onder dreigt te gaan aan uitputting en uitbuiting, zo bedacht ik me.

Het zijn zo maar wat gedachten-kronkels op een zonnige zomerdag in een vredig Nederland. Gedachten-kronkels, want een oplossing voor de grote problemen weet ik ook ik natuurlijk niet. Wel weet ik dat niets doen geen optie is en dus troost ik me met de gedachte dat ik in mijn eigen leefomgeving, mijn eigen kleine wereldje, in elk geval mijn best kan doen voor onze aarde en al haar bewoners.
Met de woorden van dat oude kinderliedje:
“Jij in jouw klein hoekje, en ik in ’t mijn”.

Marianne Visch – de Bruin